Koffie en sigaretten: een nieuw verhaal van Etgar Keret

ILFU vroeg tien schrijvers een bijdrage te maken rond het festivalthema #WhyFictionMatters. Vandaag aflevering 2. De vader de hoofdpersoon in dit gloednieuwe verhaal van de Israelische schrijver Etgar Keret zwoer zijn leven lang bij koffie en sigaretten. Én bij een parallel universum: de verbeelding dat alles precies zo is als in onze werkelijkheid, op één detail na. Als hij terminaal ziek wordt, blijkt hoezeer hij het nodig heeft om in het onmogelijke te blijven geloven. Met een even hilarische als trieste slotscène tot gevolg.

Etgar Keret

8 minuten

Fictie #WhyFictionMatters

Koffie en sigaretten

Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt


Toen ik zes was werkte mijn vader in de cafetaria van een zwembad, niet ver van het strand in Tel Aviv. Elke ochtend ging hij om halfzes de deur uit naar het bad, zwom er twee kilometer, douchte in de warme kleedruimte van de abonnementhouders en ging aan het werk. Pas om negen uur ’s avonds kwam hij moe thuis. Veertien uur per dag, zeven dagen per week kratten frisdrank uitladen, tosti’s platpersen en koffie in glanzende glazen kopjes schenken in de cafetaria van het zwembad bij Gordon Beach.

Jaren later hield mijn vader nog altijd vol dat dit de mooiste tijd van zijn leven was en beschreef hij weemoedig hoe de zilte zeelucht zich in zijn longen mengde met de sterke geur van de koffie en de buitenlandse sigaretten die hij daar verkocht. Koffie, zee en sigaretten waren en bleven de drie lievelingsdingen van mijn vader.

Papa beschrijft parallelle universums die op exact datzelfde moment bestaan in andere dimensies, universums waar alles precies maar dan ook precies zo is als in dat van ons – dezelfde weg, hetzelfde stoplicht, dezelfde sigaret in papa’s mondhoek – op één ding na. En dat ene ding werd elke dag vervangen door papa.

Voor mij was het een veel minder gelukkige periode. Als mijn vader thuiskwam van zijn werk lag ik al in bed, en behalve op zaterdagen, wanneer ik samen met mijn moeder bij hem op bezoek ging in het zwembad, zag ik hem helemaal niet. Niet dat ik daar verbitterd over was. Het was het leven dat ik kende. Kinderen van zes kunnen zich niet echt een andere wereld voorstellen waarin hun vader meer tijd voor ze heeft; ze accepteren de werkelijkheid zoals die is. Toch miste ik hem erg, en mijn moeder, die dat aanvoelde, stelde voor dat ik elke ochtend met hem mee zou gaan naar het bad om er samen met hem te zwemmen en dat ik vandaar een taxi zou nemen naar school.

Behalve de dagelijkse klap van de kou als ik het water in ging, herinner ik me niets van dat zwemmen in de ochtend. De gezamenlijke autoritten met mijn vader herinner ik me daarentegen uitstekend: buiten is het nog donker, wij met z’n tweeën in onze zilvergrijze Peugeot 504, de raampjes zijn opengedraaid en papa rookt een longsize Kent en beschrijft parallelle universums die op exact datzelfde moment bestaan in andere dimensies, universums waar alles precies maar dan ook precies zo is als in dat van ons – dezelfde weg, hetzelfde stoplicht, dezelfde sigaret in papa’s mondhoek – op één ding na. En dat ene ding werd elke dag vervangen door papa. Elke ochtend koos hij een andere kleinigheid uit waarin het parallelle universum verschilde van het onze. Kijk, hier staan we in een parallel universum op hetzelfde kruispunt te wachten tot het licht op groen springt, alleen zitten we in dit universum niet in een zilvergrijze Peugeot maar op de rug van een draak. En hier is nog een universum, waarin er onder mijn versleten trainingsbroek kieuwen schuilgaan, waardoor ik zo meteen onder water kan zwemmen zonder adem te halen, als een vis.

Toen ik negen was kreeg mijn vader een andere baan. Hij hoefde ’s ochtends niet meer zo vroeg op te staan en ’s avonds aten we samen avondeten en keken naar het nieuws. Pas op mijn tweeëntwintigste ging ik het huis uit, maar ik zorgde ervoor dat ik ten minste twee keer per week bij mijn ouders langsging, en op zaterdagen zwom ik met mijn vader in het zwembad waar hij ooit had gewerkt. Toen ik drieënveertig was werd bij mijn vader kanker geconstateerd. Hij had een kwaadaardige tumor aan de tongwortel, het gevolg van vijftig jaar roken. Op het moment dat de artsen de kanker ontdekten, was die al in een vergevorderd stadium, en hoewel we er helemaal niet over praatten, was ons allebei duidelijk dat hij binnenkort dood zou gaan.

Elke maandag begeleidde ik mijn vader naar de fysiotherapeut, en als we in de wachtkamer zaten van de praktijk van de therapeut met de meelevende stem en het Angelsaksische accent, vertelde mijn vader me soms weer over parallelle universums waar alles precies maar dan ook precies zo was als in dat van ons, op één ding na. Bijvoorbeeld, dat honden konden praten. Of dat mensen gedachten konden lezen. Of dat de hemel roodpaars was, maar echt, als een biet, en dat de langszeilende, melkwitte wolken er dan zo lekker uitzagen dat je zin kreeg er een hap uit te nemen.

‘Papa,’ zei ik na een moment van aarzeling, ‘je kunt niets drinken, het gezwel blokkeert je slokdarm.’
‘Ik weet het,’ zei mijn vader, en hij klopte me op de schouder, ‘maar jij kunt het wel.’

Na afloop van elke behandeling liet de fysiotherapeut me opnieuw zien hoe ik mijn vaders arm moest vasthouden als we samen liepen en wat ik moest doen in het geval dat hij zijn evenwicht zou verliezen. Als we onderweg naar huis aankwamen bij de hoek van de Sjlomo Hamelech- en de Arlosoroffstraat bleef mijn vader altijd staan. ‘Ruik je dat?’ vroeg hij dan, en hij wees naar het nieuwe café daar op de hoek. ‘Alleen al op grond van de geur kan ik je zeggen dat het de beste koffie van de stad is.’ In dit stadium van de ziekte was de tumor aan de tongwortel van mijn vader al zo groot dat hij niets meer kon eten of drinken. Voedsel en vloeistoffen kreeg hij binnen via een doorzichtig plastic slangetje dat rechtstreeks naar de maag leidde.

Toen we op zekere maandag na de fysiotherapie op de hoek van de Sjlomo Hamelech- en de Arlosoroffstraat kwamen, bleef mijn vader niet als gewoonlijk staan om het café aan te prijzen, maar stelde voor naar binnen te gaan en er koffie te drinken.

‘Papa,’ zei ik na een moment van aarzeling, ‘je kunt niets drinken, het gezwel blokkeert je slokdarm.’

‘Ik weet het,’ zei mijn vader, en hij klopte me op de schouder, ‘maar jij kunt het wel.’

We gingen zitten aan een hoektafeltje op het terras. Ik bestelde een koffie verkeerd en een glas water bij de mooie serveerster, en toen ze mijn vader vroeg wat hij wilde, vroeg hij om een dubbele espresso. Ik staarde hem verwonderd aan, en hij haalde met een glimlach zijn schouders op. De serveerster, die mijn vaders schuldige glimlach had opgevangen, keek me vragend aan, en omdat ik niet wist wat ik moest zeggen, bestelde ik een haverkoek.

Totdat de koffie kwam zwegen we. Ik wilde mijn vader vragen waarom hij tóch koffie had besteld en of het er op een of andere manier mee te maken had dat de serveerster mooi was, maar ik zei niets. Mijn vader haalde het pakje sigaretten uit de borstzak van zijn overhemd, evenals de aansteker die hij altijd bewaarde in zijn brillenkoker, legde ze op het tafeltje en lachte naar me. We wachtten.

Na een paar minuten kwam de serveerster terug met de bestelling en zette die neer op ons tafeltje: een koffie verkeerd, een glas water en een haverkoek op een schoteltje bij mij, en een dubbele espresso bij mijn vader.

Er stegen aangename dampen op van mijn koffie. Ik wilde een slokje nemen, maar dat zo onder de neus van mijn vader te doen leek me niet fair, dus bleef ik er zomaar wat naar staren. En ineens zag ik vanuit mijn ooghoek dat mijn vader een snelle greep deed naar het kopje voor hem op het tafeltje en de dubbele espresso in één teug opdronk.

Dat kon helemaal niet. Ik wist dat het onmogelijk was. Ik was er tenslotte bij geweest toen de oncologe mijn moeder en mij de röntgenfoto had laten zien van de tumor, die boven op de geblokkeerde slokdarm lag als een bolletje vanille-ijs op een ijshoorntje. Mijn vader, had ze toen gezegd met een gezaghebbende, verstikte stem, zou nooit meer kunnen drinken. Maar kijk, hier zaten we op een mooie, zonnige dag samen in het hipsterigste café in de stad, ik nog starend naar mijn dampende koffie en hij, naast me, grijnzend nadat hij zijn dubbele espresso achterover had geslagen. En even dacht ik dat we nu misschien wel in een parallel universum zaten, dat er dankzij de vele verhalen die hij me sinds mijn kindertijd had verteld misschien een of andere opening was ontstaan in het pijnlijke hart van dit universum en wij erdoorheen waren gezogen naar een parallel universum dat identiek was aan dat van ons, behalve dat mijn vader er naar hartenlust kon eten en drinken en niet zou doodgaan over een paar maanden.

De kokendhete koffie gleed naar beneden door de luchtpijp van mijn vader en ging op weg naar de longen. Toen die daar was aangekomen, begon mijn vader te stikken. Hij stond op, midden in het café, en greep met beide handen naar zijn keel. De rochelende geluiden die hij voortbracht waren afgrijselijk, het gereutel van iemand wiens longen werden overspoeld door kokendhete koffie. De serveerster, niet ver van ons vandaan, keek geschrokken naar mijn vader. Een gebrilde man aan het tafeltje naast ons stond op en vroeg mijn vader of hij hulp nodig had. Ik bleef verstijfd zitten. Het parallelle universum waarin ik me een ogenblik geleden nog had bevonden met mijn vader was verdwenen en wierp me terug naar een minder geslaagd universum. Na nog een paar seconden van gerochel leunde mijn vader voorover naar de vloer van het café en braakte alle voortreffelijke Italiaanse espresso uit die zijn longen had gevuld. Toen hij klaar was, ging hij weer rechtop zitten op zijn stoel, alsof er niets was gebeurd, centimeters van het plasje koffie en slijm vandaan, en stak een sigaret op. De mensen aan de tafeltjes naast ons bleven hem als gehypnotiseerd aanstaren.

‘Precies wat ik zei,’ zei hij met een brede glimlach, en hij blies rook uit door zijn neusgaten, ‘het is echt de beste koffie van de stad.’

OVER ETGAR KERET

Etgar Keret (Tel Aviv, 1967) is een internationaal geroemd schrijver van korte verhalen. In Nederland dook hij voor het eerst op met Pizzeria Kamikaze. Hij publiceerde onder andere in The New York Times, Le Monde en Zoetrope. Keret ontving talloze prijzen, waaronder de Israel Cultural Excellence Foundation Award (2006). Naast schrijver en universitair docent is Keret - ook wel de Quentin Tarantino van Israël genoemd - filmmaker. In 2007 won hij met zijn vrouw Shira Gefen de Camera d'Or voor de film Jellyfish. Zijn laatste verhalenbundel is getiteld Mijn konijn van vaderskant (Podium, 2020).

Support ILFU en word lid voor €4,50 per maand

Maak een account