Marja Pruis prijst het werk van Elena Ferrante (en ziet haar in gedachten al in Utrecht op het podium staan)

Elena Ferrante krijgt op 23 september de Belle van Zuylenring en houdt de bijbehorende lezing. Marja Pruis kijkt ernaar uit: "Zou het werkelijk, dat het podium van het Utrechtse Internationale Literatuur Festival straks wereldwijd op de nieuwsbulletins te zien is, omdat daar een kleine Napolitaanse eindelijk het gezicht laat zien?" Vandaag houdt ze alvast een lofrede voor Ferrante, wier intense vertelstijl stroomt als gloeiend lava en de intriges in die vier dikke Napolitaanse romans tot de laatste zinnen aangrijpend en raadselachtig houdt.

Marja Pruis

16 minuten

Essay #WhyFictionMatters

Gloeiend lava. De werken van Elena Ferrante

De honger naar de wetenschap wie schuilgaat achter de schrijversnaam Elena Ferrante lijkt warempel gestild. Degene die de verschillende theorieën over haar of zijn identiteit er nog eens op na wil slaan, kan het best bij Wikipedia terecht. Is het de professor, de vertaalster, de andere schrijver? Is ‘zij’ een duo? Natuurlijk is zij een vrouw, heb ik zelf lang gedacht. Vrij fanatiek dacht ik dat, alsof haar werk ook alleen geldigheid zou hebben als er een vrouwelijke hand achter schuil zou gaan. Inmiddels denk ik: ach. Het werk is er, wat maakt het uiteindelijk uit. Als Ferrante’s werk iets ‘bewijst’, is dat we de persoon van de auteur niet nodig hebben om het op waarde te kunnen schatten. Heel even misschien dat toch het hart, mijn hart, opspringt bij de aankondiging dat Elena Ferrante de Belle van Zuylen-lezing dit jaar houdt. Zou het werkelijk, dat het podium van het Utrechtse Internationale Literatuur Festival straks wereldwijd op de nieuwsbulletins te zien is, omdat daar een kleine Napolitaanse eindelijk het gezicht laat zien? Dat het een kleine gestalte is, is natuurlijk puur een vooroordeel.  

Elena Ferrante: "Ik wil mezelf beschermen tegen de uitwerking die het boek heeft. Ik heb het boek geschreven om me ervan te bevrijden, niet om er de gevangene van te zijn."

Twee jaar geleden verscheen van Ferrante een opmerkelijke bundeling van brieven, verhandelingen en interviews onder de titel Frantumaglia. Ferrante leerde dit woord van haar moeder die naaister was, zoals in dit boek valt te lezen, het is een term uit het Napolitaanse dialect. Heel vrij vertaald zou het misschien zoiets als ‘frutsels’ zijn, van in de knoop geraakte draden en naden die losgetornd zijn. De bundeling is een ratjetoe van van alles, en tegelijkertijd zijn alle losse onderdelen sterk verknoopt met elkaar. Ze cirkelen allemaal om de persoon van Ferrante, de dingen die ze zelf los heeft gelaten over haar werk en haar beweegredenen bij verschillende gelegenheden, op papier of per mail.

Het is alsof je een prachtig gemaakt pak, of een handgeborduurde jurk, binnenstebuiten voorgetoverd krijgt. Je ziet de losse draden, de onvolkomen afwerking en hebt even de illusie dat je begrijpt hoe zoiets moois gemaakt kan zijn. Dichter bij haar schrijverschap komen we niet, en het is dicht genoeg. 

Stel dat daar echt die kleine Napolitaanse gestalte zou plaatsnemen achter het Utrechtse spreekgestoelte, het zou bijna teleurstellend zijn. Een mooiere, en meer sluitende verklaring voor haar afwezigheid, valt niet te geven dan wat hierover in Frantumaglia te lezen is. ‘Als een boek af is, lijkt het alsof er te intiem in je is gewroet, wil je niets anders dan weer afstand krijgen, weer heel worden. Met de publicatie gaat het boek weg, en is er opluchting. Eerst joeg de tekst mij op, nu zou ik achter hem aan moeten gaan. Maar ik heb besloten dat niet te doen. (…) Als je creatief bezig bent, leeft er iets anders in je, verander je in zekere mate. Wanneer je stopt met schrijven, word je weer jezelf. Ik kan niet meer terug het boek instappen, dat wil ik ook niet meer. Ik wil mezelf beschermen tegen de uitwerking die het boek heeft. Ik heb het boek geschreven om me ervan te bevrijden, niet om er de gevangene van te zijn.’ 

Toch nog even over de schrijver die haar boeken het werk wil laten doen, om zelf te kunnen verdwijnen. Niet omdat ik alsnog zou willen weten wie ze ‘echt’ is, maar omdat verdwijning een cruciale rol speelt in haar werk. Ferrante schrijft over ambitie, jaloezie, verraad, erkenning. Op een natuurlijke en vanzelfsprekende manier krijgen deze drijfveren in haar romans menselijke gestaltes, in de Napolitaanse romans bijvoorbeeld in de gedaantes van Elena en Lila, die hun leven lang met elkaar bevriend zijn. Allebei schrijvers, maar de een, Elena, doet er alles aan om gepubliceerd te worden, om erkenning te krijgen, terwijl de andere, Lila, de écht geniale is, in ieder geval in Elena’s ogen, zo geniaal dat ze zich onzichtbaarheid veroorlooft. De romancyclus begint met Lila’s verdwijning. Enigszins bitter introduceert Elena zichzelf in contrast als de harde werker, altijd bezig gezien te worden, en dat nooit helemaal naar tevredenheid bereikende. Dat Lila denkt te kunnen verdwijnen, is een teken van haar superioriteit.

ILFU Banner

De eerste drie romans van Ferrante, Kwellende liefde (1992), Dagen van verlating (2002) en De verborgen dochter (2006), bleven jarenlang geheimtips, en werden pas door het grote publiek ontdekt na het succes van de Napolitaanse romans (2011-2014). Het zijn alle drie tamelijk overzichtelijke romans, overzichtelijk wat omvang betreft, en intrige. In de debuutroman Kwellende liefde onderzoekt de jonge Delia, afkomstig uit een groot Napolitaans gezin, de dood van haar moeder. De vraag of ze vermoord is, of verdronken, confronteert haar met haar jeugdjaren, en de vraag of het haar zal lukken het lot van haar moeder te overstijgen, aan haar milieu te ontsnappen zonder zichzelf te verloochenen. De tweede roman, Dagen van verlating, is een pijnlijk woedend boek waarin Ferrante de figuur van de verlaten vrouw een ongekende agressie inblaast, op het lachwekkende af. ‘Maar nu ben ik bijna veertig,’ overdenkt de vertelster, ‘iets zal ik toch wel hebben geleerd.’ Maar nee, van die ‘obsessieve wijfjeszorgen’ ben je kennelijk niet zomaar verlost. De verborgen dochter is een meesterwerk en behoort wat mij betreft tot het beste wat Ferrante schreef. Het is het ontregelende verhaal van de 47-jarige Leda, wetenschapster uit Florence, gespecialiseerd in Engelse letterkunde, die in haar eentje vakantie viert aan zee. Haar aandacht wordt getrokken door een grote Napolitaanse familie. De aanblik van de jongste moeder in het gezelschap, die een symbiotische relatie lijkt te hebben met haar dochtertje, brengt bij haar een gedachtestroom op gang over haar eigen moederschap. Haar beide volwassen dochters zijn nog maar net bij hun vader in Toronto gaan wonen, ze heeft per telefoon af en toe contact met ze.

Ferrante behoort tot een generatie van vrouwelijke schrijvers, waartoe ook Rachel Cusk behoort, Anne Enright, Bernardine Evaristo, die over zwangerschap schrijft als niet per se iets natuurlijks, eerder als een invasie van een buitenaardse macht, waarvan het de vraag is of het valt te rijmen met het schrijverschap.

In luttele bladzijden trekt Ferrante het beeld op van een rusteloze vrouw alleen, die terugkijkt op haar leven, de fouten die ze heeft gemaakt, de dromen die ze koesterde. Ze kijkt naar de moeder en haar dochtertje, dat op haar beurt het eindeloze getuttel met een kind naspeelt met haar pop. In pregnante details roept  Ferrante de omringende natuur op als een kracht die het vijandige in zich schuil houdt. Mooi fruit blijkt aan de onderkant verrot, ’s nachts voelt ze een groot glanzende insect naast zich op het hoofdkussen, in het bos valt een dennenappel pijnlijk op haar rug, in zee zou zomaar een kind kunnen verdwijnen, in de pop huist een worm. Het verontrustende van De verborgen dochter is de genadeloosheid waarmee de vrouw zichzelf bekijkt, haar ambiguïteit ten aanzien van het moederschap, het verlangen te willen verdwijnen en tegelijkertijd het besef dat er al niet meer zoveel van haarzelf over is. 

In Frantumaglia legt de schrijfster uit dat voor Leda alles walgelijk is dat naar onze dierlijke aard verwijst. ‘Dieren maken ons bang, net als zwangerschap die ons ineens verandert en dicht bij onze dierlijke natuur brengt. Ik zou graag vertellen hoe een vrouw uit noodzaak van verzorging, uit liefde, het afstotende van het vlees benadert.’ 

Ferrante behoort tot een generatie van vrouwelijke schrijvers, waartoe ook Rachel Cusk behoort, Anne Enright, Bernardine Evaristo, die over zwangerschap schrijft als niet per se iets natuurlijks, eerder als een invasie van een buitenaardse macht, waarvan het de vraag is of het valt te rijmen met het schrijverschap. Vrij recent leverde ze op verzoek van de Guardian een lijst aan van haar veertig favoriete romans, geschreven door vrouwen. In Frantumaglia is een temperamentvolle tekst opgenomen, waarin ze verklaart door vrouwen geschreven romans ‘met kloppend hart’ te lezen. ‘Ik hoop dat iets wat onzegbaar leek als door een wonder op de bladzijde verschijnt. Gebrek aan diepgang zouden vrouwen zich niet moeten permitteren. Altijd verder boren en zoeken dan de taal reikt. Beter je te vergissen met het gloeiende lava dat in je vloeit, beter hiermee afkeer op te wekken, dan je van een geslaagd resultaat te verzekeren door je toevlucht te nemen tot kille, duistere vondsten.’

Het is met recht gloeiend lava dat in de vier dikke delen van de Napolitaanse romanserie van de pagina’s vloeit. In het eerste deel, De geniale vriendin, wordt het kader geschapen van de totale vertelling: de vriendschap tussen twee vrouwen die zijn opgegroeid in een volkswijk in Napels, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De vertelling begint vanuit het nu, met een telefoontje. De zoon van Lila belt Elena, omdat zijn moeder al twee weken zoek is. ‘En dan bel je me nu pas?’ reageert Elena. De zoon dacht dat zijn moeder zoals gewoonlijk door Napels aan het zwerven was. ‘Je weet hoe ze is’, zegt hij. Inderdaad, Elena weet hoe ze is; 66 zijn ze inmiddels, en ze kent haar in feite haar hele leven al. ‘Al minstens drie decennia vertelt ze me dat ze wil verdwijnen zonder sporen na te laten, en alleen ik weet precies wat ze daarmee bedoelt.’ Ze weet dus ook dat ze niet aan zelfmoord hoeft te denken, of aan een identiteitsverandering of iets in die orde. Het ideaal van Lila was om in het niets op te lossen, er mocht niets meer van haar overblijven. ‘En omdat ik haar goed ken, of in elk geval denk dat ik dat doe, staat het voor mij vast dat ze een manier heeft gevonden om nog geen haar in deze wereld achter te laten, nergens.’ Toch begint het bij Elena te kriebelen, en als ieder levensteken van Lila uitblijft wordt ze boos. Ze wil weer eens overdrijven, denkt ze. Ze drijft ‘geen spoor’ tot in het absurde door. Ze wil niet alleen zelf verdwijnen, maar ook het hele leven dat ze achter zich heeft uitwissen. In haar boze gemoedstoestand neemt Elena achter haar bureau plaats. ‘Laten we maar eens zien wie dit keer zijn zin krijgt, zei ik bij mezelf. Ik zette de computer aan en begon onze geschiedenis op te schrijven, alles wat ik me ervan herinner, tot in de details.’

En het prentenboek gaat open: een zwoele lenteavond in een van de nauwe straatjes in Napels, twee kleine meisjes dagen elkaar zonder woorden uit hun moed te bewijzen, de een neemt het voortouw, de ander volgt, ‘ik bevond me daar alleen maar omdat zij daar ook was’. Dit startpunt is essentieel voor de romans, het bepaalt inzet en toon. Het verklaart ook de maniakale gedetailleerdheid waarmee Ferrante de beide levens in kaart brengt, de buren, families, vriendjes, het dagelijks gekonkel. Alleen zo kan de verteller zich revancheren op een levenslange vriendin die haar altijd de baas was en ook altijd de baas zal blijven. De vergeefsheid van haar onderneming, ingegeven door woede, liefde, gemis en een eeuwig gevoel niet ‘echt’ te zijn, geeft de romans hun tragische ondertoon. Zonder Lila werkt het niet. ‘Als zij afstand nam, als haar stem zich van de dingen losmaakte, dan raakten de dingen bezoedeld, stoffig.’

Beide meisjes zijn slim, Lila net even slimmer, en mooier ook, maar in het milieu waarin ze opgroeien ligt het niet voor de hand dat die intelligentie wordt aangemoedigd. Dankzij de inspanningen van een juf lukt het de ouders van Elena zo ver te krijgen om in te stemmen met een vervolgopleiding, maar Lila moet gaan werken in de schoenhandel van haar vader (en ontwerpt prompt de prachtigste schoenen). De geniale vriendin eindigt met het huwelijksfeest van de dan zestienjarige Lila, een verstandshuwelijk met een zachtaardige kruidenier.

Het is veel, deze vier dikke delen, al die intriges, al die namen, maar daar tegenover staat Ferrante’s intense vertelstijl - het gloeit, het stroomt -, en de wezenlijke dilemma’s die ze aansnijdt, tussen liefde en werk, privé en publiek, loyaliteit en verraad.

De nieuwe achternaam sluit hier naadloos op aan, gaat verder op het huwelijksfeest, zij het dat er opnieuw een proloog is die eraan herinnert dat alles vanuit het nu is geschreven, en waarin Lila’s superioriteit nog eens wordt onderstreept. De verteller memoreert het feit dat Lila haar in 1966 een metalen doos in bewaring geeft met daarin haar dagboekachtige schriftjes, acht in totaal. Ze durft ze niet in huis te bewaren, uit angst dat haar man ze zal lezen. ‘Toen ze me vroeg te zweren dat ik de doos nooit, om geen enkele reden, zou openmaken, deed ik dat. Maar ik zat nog niet in de trein of ik maakte het touw los, haalde de schriften te voorschijn en begon te lezen.’ Van de schriften blijkt eenzelfde aantrekkingskracht uit te gaan als van Lila zelf, en het lukt Elena niet om op te houden met lezen.

Ze voelt zich bedrogen, allereerst omdat blijkt hoeveel Lila al die jaren heeft zitten schrijven zonder dat zij dat wist. Ze heeft hun gedeelde leven ‘met onbarmhartige precisie’ vastgelegd: ‘Ze had momenten die voor haar beslissend waren geweest vastgelegd zonder zich om wie of wat dan ook te bekommeren.’ Vooral voelt ze zich echter bedrogen omdat Lila wederom de echte schrijfster blijkt, net als toen ze als tienjarige een verhaal schreef, De blauwe fee, dat iedereen versteld deed staan. Wekenlang is Elena bezig om de schriftjes te bestuderen, om ze vervolgens in een daad van machteloze woede op een novemberavond vanaf de Solferinobrug in het water te werpen. Het is alsof ze Lila zelf overboord gooit, ‘met die manier van haar waarop ze bezit van me nam, zoals ze dat met iedereen deed en met alle dagen en gebeurtenissen en kennis waarmee ze, al was het maar even, in aanraking kwam: boeken en schoenen, zachtheid en geweld, het huwelijk en de eerste huwelijksnacht en haar terugkeer naar de wijk in de nieuwe rol van mevrouw Raffaella Carracci’.

En andermaal opent het prentenboek zich: terug naar het huwelijksfeest, waar Elena smacht naar de hyperintelligente Nino, en Lila zich opmaakt voor de huwelijksnacht, en Elena, in een ultieme poging dicht bij Lila te blijven, zich ook maar laat ontmaagden door iemand in wie ze verder niet geïnteresseerd is.

Net als de titel van het eerste deel – want wie van de twee is uiteindelijk de ‘geniale’, wie lukt het om door te studeren en Napels achter zich te laten – is ook die van het tweede deel veelzeggend in zijn dubbelzinnigheid. ‘De nieuwe achternaam’ is inderdaad die van de getrouwde Lila, maar ook Elena krijgt in dit deel een ‘nieuwe’ achternaam, namelijk haar schrijversnaam. In dit deel wordt haar strijd gevolgd om te ontsnappen aan haar milieu, haar familie, maar telkens is er die zuigkracht van Napels, en van Lila, met wie ze een lange zomer doorbrengt op het strand van Ischia. Opnieuw blijkt Lila degene te zijn om wie het iedereen te doen is, tot en met haar geheime liefde Nino. Het portret dat Elena van zichzelf schetst, als iemand die door het leven gaat met een enorme bewijsdrang, is fascinerend en genadeloos. ‘Ik zou altijd bang zijn: bang om een verkeerde zin uit te spreken, een overdreven toon te bezigen, niet op de juiste manier gekleed te zijn, blijk te geven van minderwaardige gevoelens, geen interessante gedachten te hebben.’

Terwijl Lila bezig is zichzelf uit te vlakken, te verminken, door steeds zelfdestructiever het gevaar op te zoeken, is Elena fanatiek bezig hun beider vroegere droom te verwezenlijken: een boek schrijven. En het lukt haar. In het spetterende slothoofdstuk wil ze Lila laten zien waar ze is gekomen, vertellen dat ze via de nalatenschap van hun oude juf erachter is gekomen dat haar schrijverschap in feite is gestoeld op dat van Lila. Lila werkt inmiddels in een worstenfabriek, met veel gevoel voor walgelijkheid (!) beschreven door Ferrante. Verder van elkaar hadden de levens van de inmiddels 23-jarigen niet verwijderd kunnen raken, Lila’s voorkomen lijkt voorgoed aangetast door armoede en werk. En toch speelt ze het weer klaar Elena het gevoel te geven er net naast te zitten. Altijd. Gewoon omdat zij, Lila, van nature revolterend tegen god en gebod, uitgerust om alles te kunnen en te durven, ten diepste besef heeft van de betekenisloosheid van alles.

In Wie vlucht en wie blijft is er een kortstondige hereniging tussen Elena en Lila: ‘We werden weer [even] de meisjes van vroeger, we begonnen weer lol te trappen.’ Maar het plezier tussen beiden is niet meer echt terug te vinden. In het derde deel tekent de kloof zich dieper af, Lila is gescheiden en slijt haar dagen in de worstfabriek, Elena publiceert een opzienbarende roman en ontvlucht Napels. Haar huwelijk met een Audubon-achtige kamergeleerde, de stoffige Pietro, is van meet af aan tot ongeluk gedoemd. Het leven gaat verder, net als Elena’s zwarte gedachten over Lila die ze tot haar eigen schaamte ‘dodelijk ziek’ wenst. In het vierde deel, Het verhaal van het verloren kind, breekt Elena haar huwelijk  op, ze komt in een pijnlijk conflict terecht tussen hang naar de eindelijk verworven Nino en angst om haar beide dochters van zich te vervreemden. Met dit deel bereikt de serie zijn apotheose. Ook als ze successen boekt, blijft Elena het gevoel houden een imposter te zijn, een phoney, een oplichter die moet leven met de mogelijkheid ieder moment door de mand te kunnen vallen. 

Opnieuw laat Ferrante zien er een meester in te zijn om de ambiguïteit van de mensenziel te vatten.

Dat gedoe met die Nino is een verhaal apart, zij het dat het Ferrante lukt om in deze romans ook nog eens te laten zien hoe diep iemand kan vallen uit naam van de liefde, tot welke zelfbegoocheling ze in staat is. Onvergetelijke scènes beschrijft ze met deze player, die zijn carrière te danken blijkt te hebben aan een heel leger van dienstvaardige vrouwen. ‘Liefde heeft niet alleen geen ogen, maar ook geen oren’, weet hij, en dus kan hij de vrouwen in zijn omgeving rustig voor de gek houden. Als hij aan Elena bekent dat het aan hem te wijten is dat haar eerste verhaal niet werd geplaatst in het tijdschrift waaraan ze het had opgestuurd, een trauma dat haar jarenlang op achterstand plaatste – Nino had het verhaal onderschept en verscheurd, omdat hij zag hoe goed het was – is ze héél even verbijsterd van woede, om al snel zijn vergrijp te interpreteren als bewijs van ultieme liefdesjaloezie.

Het is maar heel langzaam dat ze voor zichzelf durft toe te geven wie hij is – zacht gezegd iemand op wie niet te rekenen valt – en dat haar toekomstig leven er uitsluitend op ingericht moet zijn een roman te schrijven. ‘En die roman moest heel goed zijn. En niets of niemand, zelfs Nino niet, mocht me verhinderen mijn werk goed te doen.’ Levenslange toetssteen voor haar zelfverwerkelijking blijft Lila, de ‘echte’ schrijfster. Met meesterlijk masochisme laat Ferrante die mogelijkheid ook tot en met de laatste pagina van het slotdeel open. 

Het is veel, deze vier dikke delen, al die intriges, al die namen, maar daar tegenover staat Ferrante’s intense vertelstijl - het gloeit, het stroomt -, en de wezenlijke dilemma’s die ze aansnijdt, tussen liefde en werk, privé en publiek, loyaliteit en verraad. Tot en met de allerlaatste zinnen blijft het intrigerend, aangrijpend, raadselachtig, hoe naamgenoot Elena een leven lang denkt te moeten opboksen tegen de toch ogenschijnlijk veel minder succesvolle Lila. 

Het verhaal had hier kunnen eindigen, maar dat doet het niet. Twee jaar geleden deed Ferrante met een nieuwe roman van zich horen. In Het leugenachtige leven van volwassenen is er opnieuw een meisje dat zich moet zien te ontworstelen aan haar omgeving, haar klasse, haar familie, maar dat te slim is om volledig te kunnen geloven in haar welslagen. In de zus van haar vader, de in de ban gedane tante Vittoria, vindt deze Giovanna voorbeeld én schrikbeeld van hoe het kan gaan, met vrouwen en de liefde, met vrouwen en autonomie. Opnieuw laat Ferrante zien er een meester in te zijn om de ambiguïteit van de mensenziel te vatten. Alsof ze zegt: kijk naar mij, en let er verder niet op. 

OVER MARJA PRUIS

Marja Pruis (1959) is schrijver, criticus en redacteur van De Groene Amsterdammer. Onder al haar teksten voor De Groene laat zij vermelden: "Marja Pruis heeft heel lang opgesloten gezeten, tot ze een bevrijdend telefoontje kreeg van Martin van Amerongen, destijds hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer." Sindsdien schrijft ze als een bezetene, niet alleen resensies en essays in De Groene, maar ook romans (Bloem (2002), De vertrouweling (2005), Atoomgeheimen (2008), Zachte riten (2016) en essaybundels (Genoeg nu over mij (2017) en Oplossingen (2019). Uit dat inmiddels ook vaak bekroonde oeuvre spreekt een van de beste schrijvers en denkers van Nederland. Het is, kortom, een zegen dat Marja Pruis destijds de telefoon opnam.

Foto Belle van Zuylenring: Jelmer de Haas

 


Support ILFU en word lid voor €4,50 per maand

Maak een account
Misschien vind je dit interessant: